Kortessem - Sint Pieter.

 

Voorgeschiedenis

Het verhaal van het nieuwe orgel begint eigenlijk in 1939  bij de afbraak van het unieke en uiterst waardevolle Clerinx-orgel uit 1845.  Een van de grootste en mooiste instrumenten ooit gebouwd in limburg. Deze onvergeeflijke afbraak kaderde in de toenmalige visie van wat een kerkrestauratie moest inhouden.

De integrale achterwand van het romaanse kerkschip werd vrijgemaakt en dus werden doksaal en orgel volledig afgebroken. Ook de pleisterlaag van het 10 de eeuwse romaanse schip en van de gotische gewelven en dwarsbeuk werden verwijderd. Een gevolg is dat de kerk sindsdien een stuk kleiner lijkt dan dat ze in werkelijkheid is en dat de oorspronkelijke akoestiek nagenoeg volledig verdween.

Na deze “afbraak-restauratie” werd in 1940 door Bernard Pels een (voor die tijd ) “modern” en fabrieksmatig electropneumatisch orgel geleverd. De fabrieksmatige orgelbouw uit die periode leverde instrumenten tegen de laagste prijs en in minderwaardige materialen.

Het voormalige Pels-orgel uit 1940 opgesteld rond het zuiderraam.

Dit Pels orgel bestond uit een hoofdwerk met pedaal gecombineerd in open opstelling rechts van het raam en een ingekast zwelwerk links ervan. De electropneumatische windladen waren al ernstig door houtworm aangetast. Bijna het volledige pijpwerk betrok Pels uit het afgebroken groot Clerinx-orgel (1848). De pedaalsubbas was van Geurts. Enkel de Clerinx frontpijpen (  100 % tin ) werden niet in dit orgel herbruikt . Het gerecupereerde Clerinx-pijpwerk werd grondig aangepast om te voldoen aan de klankstijl van het Pels orgel, waardoor dit pijpwerk nog als een schim van het origineel klonk.

We schrijven ondertussen 2015 en het Pels-orgel was al sinds jaren bouwvallig en in verval maar nog bespeelbaar, klankmatig en speeltechnisch heeft het echter nooit het Clerinx-orgel kunnen evenaren.

Na een uitgebreide studie om het Clerinx-orgel in zijn oude glorie te herstellen werd al snel duidelijk dat dit een quasi onmogelijke en uiterst dure opdracht zou worden. Mede door een volledig nieuw te bouwen doksaal en een voor de akoestiek noodzakelijke nieuwe pleisterlaag van het volledige kerkschip. Op korte termijn was hier in de parochiegemeenschap geen draagvlak voor.

Uiteindelijk werd besloten om een volledig nieuw instrument te bouwen vooraan links in het noordertransept van de ruime dwarsbeuk. Het ontwerp en het aanbestedingsdossier werd belangenloos samengesteld door organist Alain Arnols. Het bouwvallige Pels-orgel zou worden ontmanteld waarbij het historisch belangrijke Clerinx-pijpwerk zou worden opgeslaan in de torenruimte.

Na de noodzakelijke beperkte aanbesteding werd deze opdracht toegewezen aan Orgelbouw Jos Moors uit Gors Opleeuw.

Om de akoestiek van de dwarsbeuk enigszins te verbeteren werd op vraag en in overleg met  de erfgoedconsulenten  besloten om de poreuze mergelmuren van de dwarsbeuk en het koor (na noodzakelijke vochtbestrijdingswerken) opnieuw te bepleisteren en te kalken zoals vóór 1939. In een latere fase zal ook het bakstenen plafondgewelf nog een pleisterlaag krijgen.

 

Het concept

In de eerste plaats is er bij velen de vraag naar de noodzaak van een nieuw orgel.  Dwingt het verminderd kerkbezoek ons niet tot het stoppen met bouwen van nieuwe orgels ? 

Wetende dat het orgel vele eeuwen een uitermate belangrijk en invloedrijk  instrument was. Bach zonder twijfel de belangrijkste componist schreef meer dan 600 werken voor het orgel. Orgelmuziek is van alle instrumentale muziek het meest divers in stijl en quantiteit.

In onze tijd is het ons inziens meer dan ooit belangrijk te kiezen voor een volwaardig ambachtelijk orgel zowel voor de kwaliteit van de eredienst als voor concertgebruik. 

De keuze voor dit stijlconcept gebaseerd op de vroeg 19 de eeuwse orgelbouwstijl in onze grenstreek. Door de troebele tijden vlak na de franse revolutie en het stilvallen van de orgelbouw in die periode zijn er hier geen grote instrumenten bewaard uit deze stijlperiode. 

Dit nieuwe orgelproject wil deze leemte aanvullen.

Voor dit instrument maakten we gebruik van wisselslepen, waardoor zes van de twintig registers op het hoofdwerk of het positief kunnen bespeeld worden.  Dit systeem heeft naast budgettaire nog enkele andere belangrijke voordelen:  het pijpwerk staat op eenzelfde hoogte mbt. de stemvastheid, elk werk bewaard (klavier) zijn eigen karakter. Daarnaast werd er gebruik gemaakt van een belangrijke hoeveelheid historisch pijpwerk uit de vroege 19 de eeuw. Dit alles zorde ervoor dat hier in Kortessem voor een betaalbaar budget er toch een ruim klankrijk orgel kon worden gerealiseerd.

We hoopten in elk geval een instrument af te leveren dat velen inspireert op liturgisch vlak tijdens de erediensten, maar ook op muzikaal vlak tijdens toekomstige concertbespelingen

 

Beschrijving van het nieuwe orgel.

 

Kast en indeling

Het nieuwe orgel is van opzet en mogelijkheden evenwaardig aan het voormalige instrument van Clerinx. De plaats en opstelling is echter volledig anders. Om de grote extra kost van een nieuw doksaal te besparen werd geopteerd om het orgel beganegronds links  in de noorderbeuk op te stellen. Wegens het ontbreken van rechtstreeks zonlicht is dit de uitgelezen plaats. Ook voor de liturgie en zeker voor concertuitvoeringen is deze nabije opstelling ideaal.

De massief eikenhouten kast is 6m hoog, 4m breed en 1.20 m diep. De kast biedt onderdak aan 1248 orgelpijpen.Twee spitse achtvoets zijtorens flankeren de buitenzijde. Daartussen twee iets kleinere vlakke torens die op hun beurt geflankeerd worden door aflopende velden. Centraal een halfronde drievoets-toren. Door de lagere middenpartij laat de kast het raam vrij.Het front bevat sprekend pijpwerk van Montre 8 en Prestant 4. De 4 kleinste pijpen elk van de aflopende velden en de centrale pijp van de drievoetstoren spreken niet. Bovenaan het frontpijpwerk zijn er sierlijke  blinderingen en het meubel is tot slot rijkelijk voorzien van lijstwerk.

Achteraan op halve hoogte verankert een ruim platvorm de volledige breedte  van het meubel aan de muur.

Onderaan centraal ingebouwd de twee klavieren en pedaal met aan weerskanten in totaal 30 registerknoppen. Voor de kast staat een verhoogde uitbouw van waarop de organist het instrument bespeeld. De achterzijde van de kast telt 12 deuren en 17 uitneembare panelen , de voorzijde 15 uitneembare panelen en plinten voor noodzakelijk orgelonderhoud. De 6 meter hoge zijwanden bestaan uit kaderwerk met 12 vaste panelen elk.
 
De kast werd gebouwd op een grondrooster in tropisch hardhout voor een gelijkmatige belasting van de kerkvloer. De draagstructuren van het podium en voor de klavierwindladen zijn in smeedijzer.

Het  verhoogd podium herbergt de integrale windvoorziening.

De hoofdkast biedt plaats aan de vier windladen, twee beganegronds voor het pedaalwerk en twee manuaalladen ter hoogte van het middenfront.

Klaviatuur en dispositie.

De twee klavieren met 56 tonen en het 30-tonig pedaal zijn ingebouwd aan de frontzijde van het orgel en bespeelbaar vanop het podium. De toetslatten van de klavieren vervaardigd in rechtdradig grenen, kader en bakstukken in eiken. De toetsen belegd met buxushout voor de hele tonen en ebben met buxusstrip voor de halve tonen, de bakstukken belegd met ebben met dubbele buxusstrip. De 30 registerknoppen werden gedraaid in taxushout en daarna geolied.

 

Opstelling van de registerknoppen aan weerskanten van het klavier.

Hoofdwerk I (C-g'")

Positief  II (C-g'")

Montre 8'

Houtfluit 8'

Gamba 8 Gamba 8
Bourdon 8' Bourdon 8'
Prestant 4' Prestant 4'
Fluit 4' Fluit 4'
Nasard 2 2/3' Nasard 2 2/3'
Oktaaf 2' Doublette 2'
Mixtuur IV Terts l  3/5'
Cornet IV Kwint 1 1/3'
Trompet 8' Trompet 8'
Bazuin 16' Hobo 8'
Trompet 4' Subbas 16'
Tremulant Basfluit 8'
Wind Oktaaf 4
Ped + I Ped + II

Schuifkoppel Hoofdwerk + Positief
De vetgedrukte registers spelen op het hoofdwerk of het positief.
Winddruk klavier 75 mm WK, pedaal 85 mm WK

 

Mechanieken.

De toetslatten met aspunt achteraan hangen via een dubbelzijdig wellenraam rechtstreeks aan de kleppen. De kleppen van het hoofdwerk met aanhangpunt vooraan, de kleppen van het positief staan omgekeerd.

Het wellenraam brengt dus via brede ijzeren assen (wellen) de beweging van de toets over naar de kleppen in de windlade. (zie afb)

De verticale verbindingen tussen toets en klep (abstracten genaamd) zijn in eik, met aan de toetszijde een lederen lus.  De bedrading is in messing en de toetsen zijn regelbaar dmv. een harde ledermoer.

Klavierschuifkoppel eveneens regelbaar d.m.v. ledermoeren, pedaalkoppels naar hoofdwerk en positief onder het klavier met bewegende balansarm in eik. De pedaalmechaniek duwt de klavierverbinding omhoog zodat er tijdens het klavierspel geen overbodige beweging is.

De pedaalbeweging loopt via de verende eiken balans naar onderen en naar het op het grondrooster liggend wellenbord. Dit wellenbord bedient een dubbelklep via een winkelbalk.

De registermechaniek.

Vanuit de in taxushout gedraaide knoppen en eiken vierkante registertrekkers wordt de trekbeweging via massief stalen walsen op een eiken bank overgebracht naar stalen balansarmen opgesteld tussen de twee lades.  Deze bedienen op hun beurt de slepen.

Bij de enkelvoudige registers is de beweging van de sleep 20 mm, bij de wisselregisters is de beweging 16 mm links of rechts, met een neutrale stand tussenin.

De overbrenging van de drie vooraan gelegen registers gebeurt zijdelings omdat het wellenraam rechtstreekse toegang onmogelijk maakt. 

De wisselregisters hebben een dubbele mechaniek die in staat is de tegenoverliggende knop uit te schakelen.

De pedaalregisters worden bediend via 2 ijzerwalsen tot boven de pedaalslepen.  De sleepbeweging bedraagt hier
30 mm.

Klavier, wellenbord en windlade

 

Windlade

De windlade is het hart van het orgel.  Via een combinatie van kleppen en slepen bepaalt de organist welke pijpen zullen spreken.  Aan de windlade komen alle functies bij mekaar: de toets- en registermechaniek, de wind en het pijpwerk.
Dit orgel bevat vier windladen: twee voor het manuaal en twee voor het pedaal.  Deze windladen zijn volledig vervaardigd uit uiterst droog eerste keus massief eikenhout. De winddichtheid van de slepen wordt verzekerd door viltringen. De kleppen zijn uitneembaar en dubbel beleerd met lamsleder.  De slepen werden zeer glad afgewerkt en gegraffiteerd om een soepele beweging van de registerknoppen mogelijk te maken.
In de klavierlade wisselt een Positiefcancel (kanaal) telkens af met een Hoofdwerkcancel.  De boringen van de zes wisselregisters werden zo uitgevoerd dat de sleepbeweging naar links of rechts bepalend is voor de klavierkeuze.  Dit systeem vergt een uiterst precieze uitvoering van lade en registermechaniek, maar vergroot de mogelijkheden van het orgel aanzienlijk.  Om de breedte van de lade (en van het orgel dus) enigzins te beperken werden de cancellen van het positief iets smaller genomen dan deze van het hoofdwerk.  Om de pijp toch altijd gelijk te laten klinken op het ene of het andere klavier werden indien nodig windregelpennen gelijmd in de pijpstok.
Honderdvierentwintig grote orgelpijpen staan niet rechtstreeks op de lade maar werden afgeleid naar het front of een verhoogde bank. Deze pijpen krijgen wind via een loden windleiding of conduct. Alle conducten zijn van orgelmetaal (95 %Pb,  5% Sn )en werden langs binnen- en buitenzijde gevernist.  Ze werden ingelijmd met hennepvezel en verdunde lijm.
De voorslagen die de kleppenkasten afsluiten zijn opliggend en worden vastgehouden door ijzeren haken.
Voor het bepalen van de maten van de pedaallades werd uitgegaan van de mensuren van de basfluit 8.  Elke pedaaltoon heeft een dubbelklep, een voor de registers Subbas 16, Basfluit 8 en Octaaf 4 en een voor Bombarde16 en Trompet 4.

 

 

 

Het pijpwerk

Het orgel bevat in het totaal 1.248 pijpen, 190 ervan zijn volledig in hout de overige in metaal, allen zeer verscheiden in grootte en bouwwijze. De langste is de grote C van de Bombarde (4.80 meter). De kleinste is de hoge g'" van de Kwint (corpus 5 mm). De zwaarste pijp is de lage C van de Subbas (+/- 35 kg ). De 45 frontpijpen werden vervaardigd in een legering met 85 % tin  en werden gepolijst. Het metalen binnenpijpwerk bestaat voor 95% uit lood. Het houten pijpwerk werd vervaardigd uit eik en/of grenen (het oude materiaal). Voorslagen, voeten, kernen, handgrepen in eik. De voorslagen van alle nieuwe houten pijpen werden opgelijmd met papieren onderleg.

Een deel van het pijpwerk is oud. Het betreft stevig midden 19de eeuws pijpwerk van goede makelij. Dit pijpwerk was relatief ongeschonden en bezat een heel zachte intonatie, een kleine voetopening, lage opsnede en een beperkte kernbeschadiging. Integratie in het nieuwe instrument was mogelijk mits een grondige herintonatie. De oude houten pijpen kregen een grondige oppervlaktebehandeling  tegen houtworm alle beledering werd vernieuwd.

Manuaallade , opstelling vanaf het front:

  1. Cornet IV: opgebankt centraal achter het front, 4 wijde open fluiten per toon.
  2. Montre 8 :  C tot h0 in het front, rest op de lade.
  3. Gamba  8 : oud ,C tot G open hout enge mensuur, vanaf Gis enge metalen strijker.
  4. Houtfluit 8 : C tot e0 houten gedekten, vanaf f0 open houtfluit.
  5. Bourdon 8 : deels oud, C tot H houten gedekt c0 tot c’’’ wijde metalen gedekten , h’’ tot g ‘’’open fluit
  6. Prestant 4 : deels in het front.
  7. Houtfluit 4: C tot e0 metalen gedekten, vanaf f0 wijde open houtfluit.
  8. Nasard 2 2/3: deels oud ,C tot xxx metalen gedekten, vanaf wijde open fluit.
  9. Oktaaf 2: normale prestantmensuur op de lade.
  10. Doublette 2: oud , wijde prestantmensuur, groot octaaf met zijbaarden.
  11. Terts 1 3/5 : baskant oud, wijde open fluit.
  12. Kwint 1 1/3 : prestantmensuur.
  13. Mixtuur IV : samengesteld register, samenstelling
  14. Trompet 8 : Luikse bouwwijze mensuur naar Robustelly.
  15. Hobo 8 : deels oud , laagste 6 tonen met gedekte bekers vervolgens tot h0 enge trechter, diskant bekers met dubbele conus

Pedaallade:

  1. Subbas 16 : oud, wijde houtgedekt.
  2. Basfluit 8 : oud, houten basfluit, vanaf e0 wijde metalen prestant.
  3. Octaaf 4 : oud, wijde prestant in metaal, met zijbaarden.
  4. Bombarde 16 : nieuw, volledig in hout, ook de lepels, volledige bekerlengte
  5. Trompet 4 : nieuw,  wijde pedaaltrompet, zelfde bouw als trompet 8 hoofdwerk.

Windvoorziening

De ventilator staat opgesteld rechts onderin het podium in een geluiddempende kist. Van daaruit vertrekt de wind naar de centraal gelegen pedaalbalg. Vanuit deze balg vertrekt de wind verder naar de pedaallade en naar de manuaalbalg. De windkanalen en het tremulantkastje zijn gemaakt in ceder. De gordijnwindregelaars, de balgkisten, kaders en bovenbladen in eiken, de balgspanen in grenen. De klavierbalg produceert een winddruk van 78 mm waterkolom ( 88 mm voor het pedaal). Deze windvoorziening met twee balgen in serie verbonden verzekert een heel rustig ademende en stabiele wind.

Beide balgen werden inwendig bezet met geluiddempend materiaal.  Vanaf de manuaalbalg wordt de wind via de tremulant (centraal onder het klavier) geleid naar een grote dwarscollector van waaruit beide klavierwindladen worden bevoorraad.  Alle kanaalvoegen en verbindingsstukken werden winddicht gemaakt met  geschalmde lederstroken.

De tremulant is een schuinliggende klep in het windkanaal, op deze klep hangt een verend gewicht. De klep is in eik, de bedieningsbeugel in ijzer.

Detail van de dubbele toetsmechaniek en de pedaalkoppels onder het klavier.

 

Klankbeeld

Door enerzijds zes registers op het ene of het andere klavier te laten spelen en anderzijds oud pijpwerk voor het pedaal te recupereren, kon met een beperkt budget toch een middelgroot klankvol orgel worden gerealiseerd.

Door op elk klavier enkele basisregisters vast te disponeren kon de onafhankelijkheid van de twee werken worden bewaard. Door de aanwezigheid van een klavierkoppel en de twee pedaalkoppels worden de mogelijkheden van ondermeer het plenumspel aanzienlijk uitgebreid.

De intonatie of klankgeving van het pijpwerk gebeurde volledig in de kerk met uitzondering van de voorintonatie van de tongwerken. Hierbij werd per register speciale aandacht besteed aan de klankbalans van het pijpwerk onderling en in samenspel met de andere registers, alsook de specifieke functie of aanvulling voor de verschillende plenumregistraties. Een evenwicht tussen helderheid en grondtoon met speciale aandacht voor de versmelting van de verschillende registerfamilies.  Een bijkomende uitdaging was de regulering van het windverbruik vooral in de laagte, er zijn immers niet minder dan 4 achtvoetslabialen die gelijktijdig kunnen klinken.

We hebben getracht om de verschillende registers een evenwaardigheid te geven in draagkracht en karakter. Zo werd gelet op de evenwaardigheid van de Houtfluit 8 als tegenhanger van de Montre, de Prestant 4 tegenover de Fluit 4. Elk register met zijn eigen specifieke solokarakter en kleur; de heldere zangerige Montre  tegenover de heel ronde Houtfluit. De neuriënde donkere Bourdon tegenover de fijn strijkende Gamba.

De pedaalopstelling in de kastvoet werd ter bevordering van de basresonantie bewust nogal gesloten uitgevoerd.  Enkel de boven het loopvlak is de achterwand deels opengewerkt .

Bij de tongwerken werd speciale aandacht besteed aan de stemvastheid, de rondheid van de klank en de directe aanspraak. De Bombarde is door zijn volledig houten uitvoering niet te overdonderend maar mengt zich goed in het plenum.

De stemming hangt nauw samen met de intonatie. Het orgel van Kortessem is een instrument dat zich situeert op een stijlovergang tussen laat 18 de vroeg 19 de e. daarom ook werd er geopteerd voor een stemmingswijze naar Valotti.  Deze stemming leunt heel dicht aan bij de latere gelijkzwevende stemming maar toch klinken de meest gebruikte toonaarden nog  rustiger elk met hun eigen karakter.  De kwinten zijn echter wel vrij zuiver, noodzakelijk  voor de mixtuur waardoor er een grote stemmingszuiverheid kan worden bekomen. Op deze wijze klinken de werken van de grote barokmeesters ook nog heel autenthiek. Toch is ook met deze stemmingswijze een vertolking van een vroeg romantisch werk zeker niet onmogelijk.